Een tijgersafari is vooral een oefening in luisteren. Je vertrekt in het donker, in een open jeep, met een deken over je knieën omdat het in januari rond het vriespunt kan zijn. De poort gaat open bij zonsopgang en de eerste rit duurt tot een uur of tien. Middags ga je opnieuw, tot zonsondergang.
Je gids en chauffeur zoeken niet zozeer naar een tijger als wel naar de reactie van het bos erop. Sambarherten stoten een zware, metaalachtige alarmroep uit die kilometers draagt en vrijwel altijd betekent dat er een roofdier loopt. Langoeraapjes in de boomtoppen zien meer dan jij en roepen schril en aanhoudend. Chitals blaffen. Pauwen krijsen. Als die geluiden zich in een lijn beginnen te verplaatsen, weet je welke kant het dier op gaat, en dat is het moment waarop je chauffeur zonder iets te zeggen de motor start en vooruit rijdt om te wachten.
Dan volgt het wachten. Soms een kwartier, soms een uur, soms voor niets. En dan, als het gebeurt, loopt er een tijger het pad op — meestal in een rustig, doelbewust tempo, met een lichaamstaal die volstrekt ongeïnteresseerd is in de zes jeeps die er staan. Het valt reizigers steevast op hoe groot ze zijn, en hoe stil. Op droge bladeren maakt een tijger nauwelijks geluid.
Let op:
- Pugmarks, de pootafdrukken in het stof van het pad. Je gids kan vaak zien of het een mannetje of vrouwtje was en hoelang geleden. Verse afdrukken over de bandensporen van de vorige jeep betekenen dat het dier er net was.
- Krabsporen op boomstammen en geurmarkeringen langs de route — territoriumgrenzen.
- Water. In april en mei liggen tijgers overdag uren in poelen, alleen kop en schouders boven water. Dit is een kat die, anders dan de meeste, dol op water is.
- Welpen. Vrouwtjes met jongen blijven maandenlang in een klein gebied rond een hol. Als een park een bekend nest heeft, weet je gids dat.
Fysiek: dit is de makkelijkste vorm van wildlife-reizen die er is. Je zit. De zwaarte zit in het ritme: om vijf uur opstaan, uren op hobbelige paden in een open voertuig, stof in alles wat je bij je hebt, en in mei hitte die oprecht slopend is. Neem een buff of sjaal tegen het stof, en in de winter meer kleding mee dan je denkt nodig te hebben — een open jeep bij zes graden en veertig kilometer per uur voelt als min tien.
Fotografie: je hebt lengte nodig. 400 mm is een praktisch minimum, 500-600 mm is prettiger. Gebruik een bonenzak op de jeepstang in plaats van een statief. Zet je sluitertijd hoog genoeg (1/1000 s voor een lopende tijger) en durf de ISO omhoog te gooien, want de beste momenten vallen in het eerste en laatste half uur licht. Schiet vanuit een zo laag mogelijk standpunt. En houd er rekening mee dat het gestreepte patroon autofocussystemen in de war kan brengen tegen een achtergrond van droog gras — focus op het oog.