Een orang-oetantrekking is een oefening in omhoogkijken tot je nek pijn doet. Je loopt achter een gids over een smal, wortelig pad, in lucht die aanvoelt als een warme natte handdoek, en het bos om je heen is een ondoordringbare groene muur. De gids stopt regelmatig, kijkt naar de grond en wijst: verse schillen, afgebeten twijgen, een druppel. En dan, ergens, hoort hij iets wat jij niet hoort.
Het eerste teken is meestal beweging waar geen wind is. Hoog in de kruin buigt een tak op een manier die niet klopt. Daarna zie je een vlek oranje tegen groen, en het duurt een paar tellen voordat die vlek een gestalte wordt.
Wat volgt is traag. Orang-oetans haasten zich nooit. Ze verplaatsen zich door hun gewicht te gebruiken: ze laten een dunne boom langzaam doorbuigen tot hij de volgende raakt en stappen over. Het is een manier van voortbewegen die je nergens anders ziet, en die op video veel minder indruk maakt dan in het echt, waar je beseft dat er dertig meter onder dat dier niets is.
Let op:
- Nesten. Elke orang-oetan bouwt elke avond een nieuw slaapnest van gebogen takken, hoog in een boom, in een paar minuten tijd. Ze maken er soms een dak op bij regen. Als je een bos in loopt en je gids wijst op drie, vier nesten van verschillende leeftijden, weet je dat er dieren in de buurt zijn.
- De long call. Volwassen mannetjes met wangkussens produceren een lange, brullende roep die minutenlang kan duren en over meer dan een kilometer draagt. Het is bedoeld om vrouwtjes te lokken en rivalen weg te houden. Als je het hoort, blijf dan staan en luister; het is een van de bijzonderste geluiden van het regenwoud.
- Twee soorten mannetjes. Sommige volwassen mannen ontwikkelen de wangkussens, keelzak en grootte; andere blijven levenslang klein en onopvallend en gebruiken een heel andere voortplantingsstrategie. Die tweedeling is uniek onder primaten.
- Moeder en kind. Verreweg de meest voorkomende sighting. Het jong klampt zich vast, kopieert elke handeling en oefent met takken buigen. Omdat vrouwtjes maar eens in de zes tot acht jaar een jong krijgen, is elk kalf zwaarwegend voor de populatie.
- Bladparaplu's. Bij een stortbui houden orang-oetans een groot blad boven hun hoofd. Simpel gereedschapsgebruik, verrassend om te zien.
Hoe zwaar is het fysiek? Dat verschilt enorm, en dat is het punt waarop mensen het vaakst onderschatten wat ze boeken. De boottochten op de Kinabatangan en in Tanjung Puting vragen niets meer dan in een boot zitten. De trekkings bij Bukit Lawang en in Danum Valley zijn wél serieus: steile modderige hellingen, wortels, luchtvochtigheid rond de honderd procent en temperaturen van dertig graden. Reken op drie tot zes uur lopen en op kleding die binnen tien minuten doorweekt is van het zweet. Bloedzuigers horen erbij — ze zijn onschadelijk maar vervelend, dus neem bloedzuigersokken mee. Goede grip is belangrijker dan waterdichtheid: je schoenen worden toch nat.
Fotografie. Technisch lastig door de combinatie van een donker onderbos en een fel uitgelichte hemel erachter. Belicht op het dier en laat de lucht uitbranden; het alternatief is een zwart silhouet. ISO 3200 tot 6400 is normaal. Een 100-400 mm is de meest bruikbare lens; langer wordt onhanteerbaar in dicht bos. Gebruik een regenhoes en een aantal siliconezakjes tegen condens, en laat je camera acclimatiseren voordat je van een airconditioned kamer het bos in gaat. Verwacht veel foto's met takken door het gezicht — dat hoort erbij. Maak ook bewust brede opnamen van een klein oranje figuurtje in een enorme boom: die vertellen het verhaal beter dan een portret.