De eerste olifant die je op safari ziet, is meestal een stier: alleen, kalm, ergens in de struiken aan het eten. Wat blijft hangen is de stilte. Een dier van vijf ton loopt op voetzolen die als schokdempers werken en is in dicht struikgewas onhoorbaar tot hij twintig meter van je vandaan staat. Gidsen vertellen je dat vooraf, en je gelooft het pas als het gebeurt.
Een kudde is iets anders. Die kondigt zich aan door beweging in het gras, door krakende takken en door een laag, brommend geluid dat je meer voelt dan hoort. Olifanten communiceren voor een groot deel onder de grens van het menselijk gehoor, over afstanden van kilometers. Wat jij oppikt is alleen het hoorbare randje daarvan. Sta je bij een kudde stil en gaat de motor uit, dan hoor je binnen een minuut hoe druk het gesprek is.
Wat je vooral ziet, is eten. Een volwassen olifant besteedt zestien uur per dag aan voedsel en werkt daarbij honderden kilo's plantmateriaal weg. Daartussendoor gebeurt de rest: modderbaden, stofbaden over de rug, kalveren die hun slurf nog niet onder controle hebben en er letterlijk over struikelen, tieners die tegen elkaar duwen.
Let op:
- De begroeting. Treffen twee bekende groepen elkaar, dan ontstaat er een luidruchtig ritueel van trompetteren, klapperende oren, urineren en slurven die in elkaars mond gaan. Het is een van de uitbundigste dingen die je op safari kunt meemaken.
- Musth. Volwassen stieren doorlopen periodes met sterk verhoogd testosteron, herkenbaar aan een donkere afscheiding uit de slaapklier achter het oog en aan constant druppelende urine. Zo'n stier is onvoorspelbaar en gevaarlijk, en een goede gids houdt flink meer afstand. Ga er nooit tegenin als je chauffeur besluit weg te rijden.
- Schijnaanval en echte aanval. Bij een schijnaanval staan de oren wijd uit en wordt er veel lawaai gemaakt. Dat is imponeergedrag en het stopt vanzelf. Bij een echte aanval liggen de oren plat tegen de kop, is de slurf opgerold en is het stil. Precies daarom volg je je gids en improviseer je niet zelf.
- Rouwgedrag. Olifanten reageren op botten en schedels van soortgenoten: ze betasten ze met slurf en voeten en blijven er soms lang bij staan. Wat ze daarbij ervaren weten we niet, maar dat ze de resten van hun eigen soort herkennen, staat goed vast.
- Slagtanden. Grote slagtandendragers, dieren met tanden die de grond raken, zijn zeldzaam geworden. Juist die dieren zijn generaties lang weggeschoten. Amboseli en Kruger zijn de beste plekken om er nog een te zien.
Hoe zwaar is het fysiek? Een safari per voertuig vraagt niet meer dan vroeg opstaan en tegen hobbelen kunnen. Wandelsafari's in Zambia, Zimbabwe of Zuid-Afrika zijn een ander verhaal: je loopt twee tot vier uur in de vroege ochtend, vaak in de hitte, en je moet rustig en gedisciplineerd op instructies kunnen reageren. Geen topsport, wel discipline.
Fotografie. Olifanten zijn groot, donker en vaak dichtbij, en de valkuil is dat je te ver inzoomt. Ga juist breed: een kudde in een landschap vertelt meer dan een kop. Gebruik 70-200 mm of zelfs een groothoek als de dieren dichtbij zijn, en houd een langere lens klaar voor details als een oog of een slurfpunt. Twee momenten om op te wachten: tegenlicht bij zonsopgang met opwaaiend stof rond de poten, en een stofbad, waarbij de wolk in schuin licht oplicht. Vanaf een boot op de Chobe of vanuit een verzonken hut in Hwange fotografeer je op ooghoogte, en dat scheelt tussen een leuke foto en een goede. Onderbelicht de donkere huid niet te veel: meet op de olifant en niet op de heldere lucht erachter.